De raadszaal is stil. De agenda leeg, de microfoons uit, de wethouders op de fiets naar het strand of ergens ver weg met hun voeten in het zand. Het is reces. Even geen moties, geen amendementen, geen vergaderingen die uitlopen tot diep in de avond. De politiek houdt zijn adem in en de stad krijgt haar zomer.
En wat doet Alkmaar met die zomer? Die kijkt voetbal. De afgelopen weken hing het WK boven alles. Op de terrassen aan het Waagplein stonden de schermen aan, op de Paardenmarkt zaten mensen met een biertje in het laatste avondlicht, en in de huiskamers van Overdie tot De Rijp werd gejuicht, gevloekt en meegeleefd alsof het leven ervan afhing.
Tot Marokko kwam. Oranje eruit in de achtste finales, na strafschoppen, dat wreedste einde dat het voetbal kent. Je kunt maandenlang trainen, je kunt alles goed doen, en dan komt het toch neer op elf meter, één bal en een paar seconden waarin je hart stilstaat. Heel Nederland zuchtte tegelijk. Heel Alkmaar ook.
Maar wat me vooral bijbleef was niet de uitschakeling. Het was wat ik daaromheen zag. De hele straat die samen voor het scherm hing, de buren die elkaar na afloop een schouderklopje gaven, het gedeelde balen dat op de een of andere manier toch gezellig was. Volgende keer beter, zeiden we tegen elkaar. En dan gewoon nog een rondje.
Dat is voetbal op zijn best. Het verdeelt ons voor negentig minuten en verbindt ons de rest van het jaar. En dat is in Alkmaar niet nieuw. Wie hier is opgegroeid kent de pleintjes waar het altijd om de bal draaide. In Alkmaar-Noord, in Overdie, achter de flatwaar twee jassen als doelpalen dienden en er pas werd gestopt als het te donker werd om de bal nog te zien.
En dan denk ik aan AZ, aan 2009, toen we kampioen werden en de stad ontplofte van trots. Sport heeft hier altijd iets losgemaakt dat verder gaat dan de uitslag. Het gaf ons een gedeeld moment, een gedeeld verhaal, iets om samen over na te praten bij de bakker en op de markt.
Eigenlijk hebben we dat altijd al gehad. Vierhonderd jaar geleden verzamelden de Alkmaarders zich op het Waagplein, niet voor een wedstrijd maar voor de kaas, en toch was ook dat een gedeeld ritueel dat de stad bij elkaar hield. De marktmeester, de dragers, de kopers, iedereen speelde zijn rol en samen maakten ze er iets van. Van Alkmaar begint de victorie, zeggen we. Soms is die victorie een belegering die standhoudt. Soms is het een landstitel. En soms is het gewoon een zomeravond waarop de hele straat samen naar een schermpje kijkt.
Dus ja, de raad heeft reces. De politiek ligt even stil. Maar de stad zelf neemt nooit vrij. Het echte leven van Alkmaar gaat gewoon door, op de terrassen, op de pleintjes, in de gedeelde teleurstelling en de gedeelde vreugde die ons stiekem meer verbindt danwelke motie ook.
In september komen we terug in de raadszaal. Ik hoop dat we een beetje van die zomer meenemen. Want als een stad zo makkelijk samen kan juichen en samen kan balen, dan moet samen besturen toch ook lukken.
Fijne zomer, Alkmaar. Geniet ervan.
Devon Zwierenberg
voorzitter van Status Quo Alkmaar