Ik ben Julia Rotgans en ik ging als vrijwilliger naar Lybomi, een rehabilitatiecentrum voor primaten in Zuid-Afrika. Ik dacht dat ik vooral zou komen helpen, maar ik kwam ook iets in mezelf tegen: een laag die ik nog niet kende. In Lybomi leerde ik een taal zonder woorden — primatentaal — waarin angst, rangorde, herstel en liefde keihard zichtbaar zijn. Dit is mijn poging om dat te vertalen.
Primatentaal… wat is dat?
Ik moest ernaar zoeken, naar de juiste woorden. Het duurde even. Want wat ik meemaakte in Lybomi — een rehabilitatiecentrum voor primaten in Zuid-Afrika — maakte iets in mij los op een niveau dat ik nog niet kende. Alsof er een stuk in mezelf wakker werd dat tot dan toe onontdekt was gebleven.
Lybomi vangt verschillende apen op, vooral beerbavianen en vervetapen. Veel van hen zijn verweesd. Anderen zijn er terechtgekomen door omstandigheden waar je liever niet te lang bij stilstaat. De wereld van apen is er eentje die we in Nederland nauwelijks zien. Denken we.
Maar ook hier, tussen mensen, gebeurt het: buiten de groep vallen. Omdat je zwakker bent. Omdat je afwijkt. Omdat je je niet gedraagt zoals het “hoort”, of niet past binnen de norm. En ook mensen doen elkaar pijn — soms zo, dat er iets geraakt wordt wat geheeld moet worden. Medisch, psychisch, of allebei.
Apen spreken dat alleen anders uit. In hun eigen taal. Je wordt anders gestraft als je je niet gedraagt. Het leed is zichtbaarder, rauwer, directer. Dat levert moeilijke situaties op. Maar het is óók onderdeel van hun natuur — en dus onderdeel van het werk.
Een gevecht om rang in de groep, waarbij soms apen gewond raken. Apen die door mensenhanden zijn verwond. Ook zij worden geholpen: behandeld, gehecht, geopereerd — alles wat nodig is, wordt ingezet.
Eén aap heeft een diepe indruk op me achtergelaten: een vervet aap die Gandalf heet.
Gandalf werd in het centrum zelf geopereerd, omdat zijn handje eraf was gehaald door mensen. Na de operatie werd hij alleen in een donkere ruimte geplaatst. Niet omdat hij “zielig” was, maar omdat hij doodsbang was — voor mensen én voor apen. Hij zat lang in de freeze-stand: een overlevingsmechanisme dat vaak voorkomt na zwaar trauma.
Het licht in zijn ruimte werd afgedekt met een doek. Eerst zat er maar een klein gaatje in. Zodat hij rust had. Zodat hij niet nóg meer overspoeld raakte door angst. En dan, elke dag, werd dat gat een beetje groter. Letterlijk: stap voor stap kreeg Gandalf weer licht. En daarmee: weer leven.
Na een tijdje begon hij voorzichtig te eten. Te kijken. Te bewegen. Van binnen naar buiten. Van stilstand naar een eerste, kleine vorm van vertrouwen. Een aap waarvan je eerst denkt: dit wordt niks meer… die krijgt toch weer een kans. Niet in één groot gebaar, maar in dagelijkse millimeters.
Niet alle apen zijn te redden, al ligt het sterftecijfer in Lybomi laag. Het centrum wordt geleid door een Zuid-Afrikaanse arts: een chirurg die jarenlang in Europese ziekenhuizen werkte, maar is opgegroeid tussen de apen. En nu alles op alles zet om ze een tweede kans te geven — en soms zelfs een tiende.
Zijn levenswerk is: een aap ophalen, een paar uur verderop. Desnoods een ECG maken. Hechten. Opereren. Warm houden. In een babydekentje wikkelen. En met zorg naar binnen dragen. Met hart en ziel werken — en dan is het bijna geen “werk” meer te noemen.
En om dat van zo dichtbij mee te maken… dat is soms bizar. Dan denk ik echt even: ehm… is dit echt?
Ja dus. Het is echt.
Wat het me vooral liet zien, is hoe waardevol het is om deel te mogen uitmaken van zoiets. Baby-aapjes die eerst angstig zijn, zie ik met de dag dichterbij komen. Eerst alleen een handje dat zich uitstrekt. Later geluidjes als ze me zien. Waar ze eerst hard gilden, hoor ik na verloop van tijd enthousiasme. Ze springen van blijdschap.
Apen die als huisdier zijn gehouden en alleen bananen kregen, kiezen ineens weer gras. Hun natuurlijke eten. Ze worden weer echt aap. En dat is prachtig om te zien — en om aan mee te helpen.
Ze houden me vast. Met die kleine, sterke handjes. Ze “groom” me, trekken aan mijn kleding, kleden me half uit. En uiteindelijk word ik niet alleen geaccepteerd, maar op apenniveau liefgehad. Een liefdestaal die soms letterlijk de haren uit mijn hoofd trekt — en toch voelt het als een eer.
Tuurlijk: ze plassen en poepen op me. Ze kunnen hard bijten. Ik maak lange dagen. Maar maakt het uit? Nee. Totaal niet. Wat ik ervoor terugkrijg is te waardevol, te belangrijk.
De allerkleinsten hebben warmte en liefde nodig. Dus als ik even een halfuurtje “niks” heb… dan ga ik niet niks doen. Dan ga ik knuffelen. Gewoon, vanzelfsprekend.
En dan zijn er de nachten: wakker worden omdat er een wilde aap op mijn dak springt. De geluiden. Ik mis het. De enorme insecten die eerst eng zijn, worden normaal. Hagedissen op de wc. Kunstzinnige kevertjes die ik ineens mooi vind. En ja, slangen — die zijn echt wel klein. Meestal.
De stille ochtenden, waarin ik alleen zit en de rust me terugzet in mijn lijf, terwijl ik op de achtergrond de apen hoor… het reset me uit het normale bestaan dat ik ken.
Geëlektrocuteerd worden omdat ik een grote baviaan wil vastleggen? Tja. Er zijn ergere dingen.
Grenzen verleggen waarvan ik niet wist dat ze bestonden. En liefhebben op een diepere manier dan ik ooit heb ervaren.
Lybomi liet me onontdekt gebied in mezelf zien. Het primatengebied.
Een magische beleving. En een verhaal dat nog verder gaat dan wat zichtbaar is.
Wordt vervolgd…
Julia Rotgans
Wil je Lybomi steunen? Dan kun je iets overmaken via deze actie: Geef onze aapjes een toekomst in vrijheid! Klik hier