Mooie tijden. Echte tijden. Het was familie – door Gilbert Scholten
Alex Hoogland schrijft normaal gesproken de column, maar deze keer heeft hij een gastcolumnist ingeschakeld: Gilbert Scholten. Veel mensen kennen Gilbert van de markt: hij was tot vorig jaar marktondernemer en eigenaar van De Goudgele Patat. In zijn gastcolumn neemt hij je mee terug naar zaterdagen vol vaste gezichten, koffie, geintjes en dat echte marktgevoel van “familie”.
Elke zaterdag begon hetzelfde.
Niet met een wekker, maar met Potje Prins.
’s Morgens vroeg al een Jägermeister om het leven wakker te schudden,
twee pakken zware shag per dag,
en lachen… de héle dag lachen.
Zo’n lach die niet netjes is, maar echt.
Buikpijn-lachen. Markt-lachen.
De zaterdag begon in koffiehuis The Corner.
Bij ome Joop Rood.
Later bij zijn zoon Peter en Berna,
maar de geest bleef hetzelfde.
Dat kleine café was geen zaak — het was thuiskomen.
Daar zat je.
Koffie. Een praatje. Een geintje.
De markt moest nog beginnen,
maar het feest was al onderweg.
Toon van Noort met z’n pinda’s.
Hennie Muis met de vis.
Jan Scholten, Michel Meesters,
Cees Sinnige — en nog zovelen.
Geen collega’s. Geen kennissen.
Familie.
En dan die gokkast.
Ome Joop in paniek zodra dat ding eens écht uitbetaalde.
Klik — uit.
“Stuk,” zei hij dan droog.
Geen discussie.
Stuk was stuk.
We kregen er altijd een gekookt eitje bij.
Altijd.
Maar op wonderlijke wijze stond dat gekregen eitje
steevast gewoon op de rekening.
En niemand die er moeilijk over deed.
Dat hoorde erbij.
Dat wás The Corner.
Het waren geen perfecte tijden.
Er was een lach,
maar ook een traan.
Lief en leed lagen daar gewoon op tafel,
tussen de koffie, de shag en de sterke verhalen.
Maar wat we hadden — dat was zeldzaam.
Een ploeg die voor elkaar opstond.
Voor elkaar viel.
Voor elkaar bleef.
Geen praatjes over saamhorigheid.
We waren het gewoon.
En als je er nu aan terugdenkt,
dan proef je het weer.
Ruik je die koffie.
Hoor je dat lachen.
Voel je die arm om je schouder.
Mooie tijden.
Echte tijden.
Het was familie.
Gilbert Scholten
Foto: Marianne Jonker