Mineur! – door Peter Visser

Normaal gesproken probeer ik hier een vrolijke noot te kraken. De zon lijkt de regen te verdrijven, de agenda staat boordevol met werk, een prachtige bruiloft en een heerlijke vakantie achter de rug en toch heb ik moeite met een glimlach. Ons bedrijf is namelijk in mineur. Drie vaste medewerkers van ons zijn ernstig ziek. In de toekomst kunnen we niet kijken, maar de kans dat ze mijn volgende column halen is klein.

En dan merk je dat ondanks de grootte van een groep van 130 medewerkers, dit zwaar valt. Hun partner en hun kinderen werken bij ons. Niet alleen het aanstaande verlies van onze collega’s raakt ons diep, maar ook de wisselwerking op hun familie is voor ons heel duidelijk zichtbaar. En in die groep zit ook Pluim, want ondanks dat Pluim van eigenaar is gewisseld, is de connectie met collega’s groot. Een zweem van verdriet miezert door het bedrijf. En dan is het nog niet eens zover. En leeftijd maakt niet uit 40-60-80. Niet helemaal precies, maar de verhoudingen kloppen. Het zet alles in een ander daglicht.
Walter, mijn compagnon, is de rationalist van ons twee, maar ik merk aan hem dat hij hier grote moeite mee heeft. We hebben namelijk een innige band opgebouwd met deze drie. De jongste van de drie kwam bij ons werken, ter ontspanning. Dat hoor je niet zo vaak bij ons in de branche. Hij had een drukke baan in de zorg en wilde een dag in de week meedraaien om zijn gedachten te verplaatsen. Met deze houding bracht hij frisheid en vrolijkheid. Hij nam niet alleen zijn vrolijkheid mee, maar ook zijn vrouw. Ook zij is een vrolijke spring in het veld en beiden hadden geen idee, wat hen te wachten stond in 2026. Hun verdriet en pijn zijn zo zichtbaar, dat ik moeilijk onder woorden kan brengen wat dat met mij doet.
De middelste werkt langer in ons bedrijf, dan wij zelf. Hij zat, zeg maar, bij het meubilair, zoals wij dat hier plachten te zeggen. Beroemd tussen Schagen en Alkmaar. Alle bekende horecabedrijven gezien. Voor ons een steunpilaar van jewelste. Stond altijd voor ons klaar. Zijn enthousiasme was aanstekelijk. Hij heeft negen levens, want hij heeft alle ongelukken al een keer uitgevonden, maar we gunden hem zijn 10e. Totdat de dokter anderhalf jaar geleden anders zei. Ook hier hield zijn optimisme stand, we gingen met hem mee naar het ziekenhuis en waar wij fronsten, zag hij het licht in de tunnel. Precies zoals hij is: aanstekelijk opgewekt en klaar voor elke klus. Maar deze klus lijkt te groot.
En dan de oudste. Maar mag ik eigenlijk niet zeggen. In 6 jaar uitgegroeid tot Mr Henry’s. Hij wilde van geen pensioen weten; aan de gang moest ie, want anders heeft leven geen zin. Hij kwam met zijn eigen bus en bracht alles, wat wij maar wilden Noord-Holland rond. Niks op gezette tijden, maar als je hem belt, kwam hij direct. Trots als een pauw was hij met zijn Henry’s-jas. Wij vonden dat hij allang bij de groep hoorde, maar voor hem was de jas een teken van de familie. Hij had een zomer en een winter exemplaar. Alles kon je hem vragen, hij deed het allemaal. Een keer dronken geraakt op de kermis; zelfs dan kwam hij me halen. Net als de andere twee, een uithangbord van het bedrijf. Hij moest lachen om een grap en huilde al bij de merci reclame. Toen zijn vrouw een paar jaar geleden overleed, raakte de lol er wel een beetje af voor hem, maar desondanks heeft hij ons geen moment in de steek gelaten. Nou ja… nu dan. Zijn gezondheid laat hem zodanig in de steek, dat hij zijn vrouw liever vandaag dan morgen weer wil ontmoeten.
Natuurlijk twijfel ik of ik dit wel in een column ga plaatsen en natuurlijk vraag ik hun toestemming. Want ze zijn er nog. Maar waarom zou ik onze dankbaarheid niet tonen aan hen. Ze hebben een onuitwisbare plek in ons mooie bedrijf ingenomen, ons verder geholpen en de band tussen onze collega’s versterkt. Ze mogen weten dat we ze gaan missen, dat ze mede het succes van de groep hebben bepaald, dat ze de familieband in ons bedrijf hebben verstevigd. Ze mogen weten, dat degene die ze achterlaten geknuffeld gaan worden. Straks zijn ze er niet meer, maar hun namen zullen vaak vallen in onze anekdotes.

Peter Visser