Wie ’s morgens vroeg door Alkmaar loopt, ziet dat er iets is veranderd. De koffietentjes zitten vol. Soms lijkt het er zelfs drukker dan rond lunchtijd. Mensen spreken nog snel even af voordat ze naar hun werk gaan, halen een cappuccino voor onderweg of ze stallen hun kinderwagen om lekker uitgebreid het afgelopen weekend met een vriendin te bespreken. We beginnen zowaar een beetje Italiaans te worden.
In Italië is koffie drinken namelijk zelden alleen een kwestie van dorst of cafeïne. Het is een dagelijks ritueel. Veel Italianen ontbijten niet uitgebreid thuis, maar lopen ’s morgens een bar binnen voor een snelle espresso en een croissantje of een smoothie. Ze groeten de mensen achter de bar, wisselen een paar woorden met een bekende en gaan daarna weer verder. Die gewoonte lijkt nu ook in Nederland steeds meer voet aan de grond te krijgen.
Vroeger dronken we onze eerste koffie vooral thuis of op kantoor. Tegenwoordig ontmoeten we elkaar volgens mij steeds vaker vóórdat de werkdag begint. Even bijpraten, even de dag doornemen en soms ook gewoon even niets anders doen dan rustig wakker worden. En eerlijk gezegd: het maakt de stad zo ‘s ochtends al direct een stuk gezelliger. Een gevulde koffiezaak geeft leven aan een straat. De geur van versgemalen bonen, het geluid van kopjes en schoteltjes en mensen die elkaar goedemorgen wensen. Het is eigenlijk een veel vriendelijker begin van de dag dan alleen in de auto stappen of met een thuisgevulde beker haastig naar kantoor lopen.
Bijzonder is dat deze moderne koffiecultuur ook een stevig Nederlands en Alkmaars tintje heeft. Nederland speelde al vroeg een belangrijke rol in de wereldwijde verspreiding van koffie. Aan het einde van de zeventiende eeuw begon de VOC koffieplanten op Java te verbouwen. Vanaf de achttiende eeuw kwam koffie hierdoor in steeds grotere hoeveelheden naar Europa en werd het drankje voor veel meer mensen bereikbaar. Koffie werd handel, koffie werd een gewoonte en uiteindelijk werd koffie een wereldwijd sociaal ritueel.
Maar Alkmaar heeft binnen die koffiegeschiedenis nog een eigen, verrassend hoofdstuk. Hier werd in 1920 Alfred Peet geboren. Zijn vader had in Alkmaar een koffie- en theehandel met een eigen branderij: B. Koorn & Company. De jonge Alfred leerde er omgaan met de machines waarmee koffie werd gebrand en gemalen. In 1938 vertrok hij naar Londen om zich verder in koffie en thee te verdiepen. Na wat omzwervingen emigreerde hij in 1955 naar Amerika. De koffie die hij daar aantrof was een slap aftreksel van wat hij thuis gewend was. Amerikanen dronken voornamelijk dunne, industrieel geproduceerde koffie en Peet vond dat dit veel beter kon. In 1966 opende hij daarom in Berkeley zijn eigen zaak: Peet’s Coffee, Tea & Spices. Hij brandde hoogwaardige koffiebonen in kleine hoeveelheden en introduceerde Amerikanen zo bij een veel krachtigere en smaakvollere manier van koffie drinken. Peet wordt daarom wel omschreven als de man die Amerika koffie leerde drinken en als een grondlegger van de Amerikaanse specialty-coffeecultuur. Ook drie jonge ondernemers uit Seattle kwamen bij hem kijken: Jerry Baldwin, Zev Siegl en Gordon Bowker. Peet leerde hen alles over koffiebonen, branden en proeven, hielp hen aan leveranciers en werd hun mentor.
In 1971 begonnen zij hun eigen koffiezaak: Starbucks. In de beginjaren verkochten zij vooral koffiebonen en apparatuur; pas later groeide Starbucks uit tot de wereldwijde keten van koffiebars die we nu kennen. Met Alfred Peet dus die aan de basis hiervan heeft gestaan. Zonder deze Alkmaarder had de internationale koffiewereld er dus heel anders uitgezien. Peet’s Coffee bestaat overigens ook nog altijd en is in Amerika nog steeds een bekende en grote koffieonderneming.
Maar het mooiste aan het verhaal is misschien wel dat een ontwikkeling die ooit mede in Alkmaar begon, nu als het ware weer naar Alkmaar terugkeert. Maar toch net even anders…. Vroeger was koffie in Nederland lange tijd vooral een praktische drank. Een warme onderbreking van de dag. Arbeiders dronken haar tijdens de schaft, schilders uit een thermoskan op de steiger en scholieren vanaf de middelbare school in de pauze. Op kantoren stond een grote koffiepot klaar en in verenigingsgebouwen schonk men koffie uit simpele kleine kopjes, meestal met melk en suiker.
Koffie hoorde bij de pauze: even opwarmen, wakker blijven en daarna weer verder. Dit is nu anders denk ik…. Het kopje koffie is een aanleiding om ergens te gaan zitten, bij te praten en even tijd voor elkaar te maken. Niet meer uitsluitend: “Zullen we pauze houden?”, maar steeds vaker: “Zullen we ergens koffie drinken?” Daarmee verandert ook de plek waar we koffie drinken. Van de bouwkeet, bedrijfskantine en huiskamer naar het terras en de koffiebar. De eenvoudige filterkoffie is vervangen door espresso, latte macchiato, cappuccino, cartado en flat white. De thermoskan werd een glanzende espressomachine en de koffiepauze is inmiddels een klein sociaal ritueel. We spreken af vóór het werk, halen samen koffie onderweg of zoeken een tafeltje in de stad. Wat vroeger vooral bedoeld was om weer verder te kunnen, is nu juist een reden geworden om even te blijven. De stad vult zich ’s morgens met mensen die elkaar ontmoeten voordat de werkdag begint.