Kleur – Ilanda de Dood

‘Ik wil geen standbeeld zijn’. Trijn Rembrandts blikt terug op haar leven als dappere vrouw in Alkmaar in de Tachtigjarige Oorlog. ‘Als ik een standbeeld ben, kan ik niet meer bewegen en kan ik niet meer meedoen’, vervolgt ze.

Ik zit in het Vrij Zijn Theater en kijk naar de voorstelling TRIJN. Een romantische versie van haar leven geflankeerd door galopperende paarden wordt neergezet door een groep enthousiaste jonge en iets minder jonge mensen. Ik geniet van hun plezier om te mogen shinen op het prachtig aangeklede podium. Twee weken eerder zat ik ook bij een voorstelling over een krachtige vrouw, ANNA AN SICH. Deze vrouw leefde in dezelfde tijd als Trijn. Haar naam is Anna van Saksen en ze was de tweede vrouw van Willem van Oranje. In het schuilkerkje aan het Fnidsen zag ik een jonge vrouw die in een monoloog van ruim een uur verslag deed over het leven van Anna. Ze werd als zogenaamd ‘krankzinnig’ opgesloten in een kasteel in Dresden. Ze stierf daar in eenzaamheid. In deze monoloog kreeg ze eindelijk een stem om haar kant van het verhaal te vertellen. Het feit dat ze moedige vrouwen waren was in beide voorstellingen heel belangrijk.

Op de houten banken dacht ik na over wat ‘vrouw-zijn’ voor mij betekent. Zelf heb ik als meisje en vrouw nooit het gevoel gehad dat er minder naar me geluisterd werd omdat ik geen jongen of man ben. Ik groeide op in een familie waarin mijn moeder en mijn tantes hun mannetje stonden en nog steeds staan. Bijzonder dat in deze uitdrukking toch het woord ‘mannetje’ gebruikt wordt terwijl het juist gaat om krachtig zijn als vrouw. Bij het woord ‘vrouwtje’ heb ik een minder stevig beeld. En als iemand, meestal een vrouw, de aanduiding ‘collegaatje’ gebruikt, wordt daar zeker niet de kleine man mee bedoeld die elke dag naast haar in de personeelskamer zijn boterhammetjes eet.

Ik merk dat tegenwoordig vrouw of man zijn en ook het mannelijke en het vrouwelijke, weer grote thema’s zijn. In mijn praktijk en de sportschool zie ik vrouwen en mannen die dit extra uitdragen. De lippen en de billen van sommige vrouwen zijn opgevuld en hun wimpers zijn ultralang. De biceps van de mannen zijn soms extreem opgepompt en op deze armen kan ik lezen of ik de namen van hun kinderen goed gespeld heb. Ook zie ik juist mensen bij wie ik extra goed moet kijken of het een jongen of een meisje is. Hun haren zijn lang en hun kleding is groot en verhullend. Soms voelen ze zich geen jongen of meisje en is dat ook helemaal geen issue. Het lijkt wel alsof dit past in deze tijd van diversiteit, of we vergroten ons vrouw of man-zijn uit of we voelen ons geen van beide.

Afgelopen week ging ik weer naar een voorstelling, deze keer in Theater De Vest. Mijn idool Stef Bos trad daar op. In mijn overwegingen over polarisatie denk ik aan een liedje van hem, ‘Het midden’: ‘Ze maken ons wat wijs, ze praten over zwart en wit, maar wijsheid is vaak grijs. De één sterft voor een God die de ander dood verklaart. Alsof wij zijn vergeten dat het midden nog bestaat. Maar ik geloof, ik geloof dat het midden bestaat’. Ik besef dat het midden alleen kan bestaan als er ook uitersten zijn. Mijn verlangen is dat we beide kanten én het midden in zachtheid koesteren. Ik ga nog een stapje verder en zoom uit. Als ik alles vanuit éénheid bekijk zie ik geen verschillende kleuren meer. De regenboogvlag, die uiteindelijk ook uit hokjes bestaat, vervaagt dan tot één mooie nieuwe kleur. Een kleur die we nu nog niet kennen.

Ik ben dankbaar dat ik in een stad woon met zoveel podia waarop zoveel verschillende mensen gaan staan die mij inspireren. Trijn en Anna hebben allebei een graf op een mooie plaats. Hun namen zijn terug te vinden op de grafstenen, bij Anna is dat pas 440 jaar na haar overlijden gebeurd. Ik hoop dat ze daar rustig liggen. Hun levens zijn de moeite waard geweest.

www.kindertolkalkmaar.nl