- Columns
- 12 maart 2026
Kerst met een zak chips (maar dan anders) – het verhaal van Jim
Jim van der Sluis (55 jaar) strijdt samen met zijn partner Miranda en zoon Thor tegen de ziekte kanker. Want zo’n strijd voer je nooit alleen: juist door er samen binnen het gezin over te praten, doe je het echt met z’n drieën.
Zo sta je dus vlak voor kerst in de spreekkamer.
Geen gesprek over het kerstdiner of wie de wijn meeneemt.
Nee. Diagnose: darmkanker.
Een aangetaste lymfeklier. Uitzaaiingen in de lever.
En de dag vóór kerst? Een stomaoperatie om in leven te blijven.
Je denkt altijd dat dit soort zinnen over andere mensen gaan.
Terwijl half Alkmaar onder de feestelijke verlichting loopt en zich druk maakt over de perfecte rollade, zitten wij bij de stomaverpleegkundige in het Noordwest Ziekenhuisgroep. Buiten klinkt “All I Want for Christmas”, binnen hebben wij het over plakranden, opvangzakjes en huidbescherming.
Ik ben 55 en krijg een extra uitgang. Om te kunnen blijven leven, pfffff dit valt wel zwaar.
Ik noem het zelf maar gewoon: een zak chips op mijn buik.
Humor helpt. En laten we eerlijk zijn: als je het niet zelf relativeert, doet iemand anders het straks voor je.
Over die stomaverpleegkundigen trouwens: wat een toppers. Ze praten over ontlasting alsof het over koffiezetapparaten gaat. Geen gêne, geen taboe. Dat werkt aanstekelijk. Voor je het weet heb je het zelf ook over “output” alsof je in een fabriek werkt.
De dag vóór kerst melden we ons voor bloedprikken. Dat gaat naar Amsterdam voor analyse. Alsof mijn bloed even op citytrip mag. De casemanager neemt alles nog eens rustig door. Ik knik dapper. Van binnen denk ik: hoe is dit mijn december geworden?
Om 12.00 uur opname.
Dan het moment. Operatiekleding aan. Die charmante open achterkant blijft toch een ontwerpkeuze waar je vragen bij hebt. Kus. Knuffel. Miranda en Thor nog aankijken en een blik die alles zegt zonder dat je iets zegt.
En daar ga ik. Rollend naar de OK.
Het is er ijskoud. Ik lig te rillen en denk nog: zou dit zijn om bacteriën af te schrikken of gewoon om patiënten zoals mij stil te krijgen?
Iedereen stelt zich netjes voor. Het voelt bijna als een netwerkborrel, maar dan horizontaal.
De anesthesist zegt: “Voordat je onder narcose gaat, wil ik dat je over een mooie herinnering vertelt.”
Nou, dat kan ik. Ik begin enthousiast over onze reis naar Thailand. Over het eten, de warmte, de glimlach van de mensen. Ik zat nog midden in een beschrijving van een tropisch strand…
Tien seconden later was ik weg.
Beste manier ooit om iemand te onderbreken.
Ik werd wakker op de uitslaapkamer. Warm. Met een Thaise glimlach. Ze zeiden dat mijn vrouw was bijgepraat en ik kreeg een ijsje voor de irritatie in mijn keel. Een ijsje! Alsof ik zojuist mijn zwemdiploma had gehaald in plaats van een stoma had gekregen.
Een uurtje later terug naar de afdeling. Met mijn nieuwe accessoire.
We lagen met z’n vieren op zaal. Een bont gezelschap, ieder met zijn eigen verhaal en eigen slangetjes en infuus piepjes.
Miranda en Thor kwamen langs. Ik kreeg erwtensoep en een boterham met kaas. Nog nooit heeft erwtensoep zo veel emotionele waarde gehad.
En toen kwam hét moment: samen kijken naar de stoma.
Dat stukje van mij dat nu officieel bij mij hoort.
Je schrikt even. En dan denk je: oké, we gaan dit gewoon doen.
Als je het kunt aankijken, wordt het meteen minder eng.
De eerste nacht was spannend. Gelukkig hielp de morfine een handje.
Om 06.00 uur: rammelende karren. Bloeddruk. Temperatuur.
Je leert in een ziekenhuis snel dat privacy een flexibel begrip is.
En om zeven uur… een fanfare. Ja echt. Een fanfare die kerstliederen speelde door het ziekenhuis. Vanuit alle zalen klonk applaus. Het was ontroerend en licht absurd tegelijk. Maar het deed wat het moest doen: even geen patiënt zijn, maar onderdeel van iets groters, het is KERST!
Ik kreeg veel bezoek. Heel veel. Miranda en Thor waren er bijna continu. Kaartjes, ballonnen. Alleen de slingers ontbraken nog.
Dan nog een kleine les in vooroordelen.
Er was een nachtzuster die ik in eerste instantie wat arrogant vond. Zo iemand waarvan je denkt: oei, die moet ik niet hebben om drie uur ’s nachts.
Rond 04.00 uur kreeg ik een stomalekkage. Alles onder. Buik. Bed. Drama in drie bedrijven.
Ik drukte op de bel.
Daar stond zij.
En wat heb ik mij vergist.
Ze was rustig, lief, professioneel. Geen spoor van irritatie. Ze loste het op alsof dit de normaalste zaak van de wereld was — wat het voor haar natuurlijk ook is. Voor mij voelde het als een ramp, voor haar was het maar een nacht als zovele.
De volgende dag heb ik haar verteld dat ik haar verkeerd had ingeschat. Ze moest lachen. Ik ook.
Maandag, dag zes, mocht ik naar huis. Samen met de stomaverpleegkundige en Miranda verwisselde ik de zak chips. Spannend, maar het ging. Dat moment voelde bijna als slagen voor je rijexamen: nu mogen we het zelf doen.
Onze kerst liep anders dan gepland. Geen uitgebreid diner, geen lange avonden aan tafel. Maar wel dankbaarheid. Voor de zorg. Voor de mensen. Voor elkaar.
Nu op naar oud en nieuw.
En daarna starten met het behandelplan.
Eerlijk is eerlijk: ik had een ander programma voor ogen dit jaar.
Maar goed — dit is het geworden.
Daarover later meer in een volgende column
Jim van der Sluis