Een zoon! – door Klaas Kirpensteijn

Ik hield een lezing over de hofjes van Alkmaar bij de afdeling Sint Pancras van “Vrouwen van Nu”, de voortzetting van de vroegere Bond van plattelandsvrouwen. In dorpshuis De Geist trof ik een leuke, grote groep van meer dan 40 vrouwen, die met veel belangstelling mijn verhaal aanhoorden.

Voordat de bijeenkomst begon werd ik benaderd door een oudere dame, die wat moeilijk liep en leunde op een stok. Nadat we ons aan elkaar hadden voorgesteld, vertelde ze dat ze nog wist dat ik geboren werd. Dat hoor je niet vaak als je zelf al 70 jaar bent!

Ze vertelde dat haar man vroeger een eigen bedrijf had en dat mijn vader, die accountant was, de boekhouding deed. Bij één van zijn bezoeken had hij verteld dat hij, na twee dochters, een zoon had gekregen. “Hij was zo trots als een aap”, zei de dame, en ze had hem nog een zelfgemaakt slabbetje als cadeau gegeven. “Daar moet u dus nog op hebben gekwijld”, zei ze trots.
Ze was geweldig, 96 jaar jong, met een glasheldere geest en een prima geheugen.

Het was een leuke ontmoeting. En inderdaad, mijn vader wilde na twee prachtige dochters heel graag een zoon. In de Corfstraat, waar het gezin woonde, had hij aangekondigd dat bij de geboorte in ieder geval de vlag zou worden uitgehangen; als het een meisje was blauw-wit-rood, en bij een jongen rood-wit-blauw. Een boerenprotest avant la lettre.

Eén avond in de twee weken zat mijn vader te borrelen in Koekenbier, met een clubje vrienden die zich de sociëteit “Jennen Mag” noemden. Met al een paar borrels op heeft mijn vader daar gezegd dat hij, als het een jongen zou worden, het kind zou vernoemen “naar jullie allemaal”, hik!

En dat gebeurde. Op mijn geboortekaartje staat Klaas junior, maar ik heb officieel vier voornamen. Nog een geluk dat er twee Klazen en twee Johannessen in de sociëteit zaten.
De mannen zijn de geboorte met z’n allen gaan aangeven in het stadhuis, nadat ze eerst bij de kraamverzorgster het “watermerk” van de baby hadden gecontroleerd.

Hij was inderdaad zo trots als een pauw, mijn vader, en hij had ook best een aardig kereltje op de wereld gezet. Na een paar jaar mocht ik af en toe mee als hij een cliënt bezocht, zoals de oudere, welgestelde dame in Bergen waar mijn vader kwam voor de belastingaangifte. Deze vrouw had trekken van tante Cato uit de boeken over Pietje Bell, ze was bepaald geen schoonheid, een beetje smoezelig, en ze had op haar neus een wrat waaruit twee lange haren groeiden. Ze deed haar best om het mij naar de zin te maken en bood me koekjes aan, maar volgens mijn vader hield ik mijn lippen stijf op elkaar en gaf ik geen kik.

Tot bij het afscheid, bij de voordeur. Toen heb ik tegen mijn vader gezegd: “Het is niet de échte heks, hè Pap, maar ze lijkt er wél op!”

Het jaar daarop mocht ik weer mee, en toen nam ze wraak: “Zo ventje, mocht jij met opa mee?”, vroeg ze vilein.

Klaas Kirpensteijn