De tijd vliegt – Jos Keijsper

Na het afronden van de middelbare school in Alkmaar en Amsterdam, toog ik als broekie van 19 naar Nijmegen om daar te gaan studeren. Ik voelde me wijs, jong en m’n hele leven lag nog voor me. Je leeft ‘in het moment’ en denkt niet aan later.

Ik vond het dus ook heel normaal dat na ruim 4 jaar studeren—we spreken over 1991—ik mijn eindwerkstuk op de typemachine moest maken. Voor de jonge lezers onder ons, een typemachine was een apparaat waar je een A4’tje in stopte en net als op het huidige toetsenbord van je PC, je woorden intikte. Alleen kwamen die woorden op het papier en niet in je scherm. Als je iets fout intikte, was je helemaal de sjaak want dan moest je met een correctielint of Tipp-Ex je fouten veranderen. De hel op aarde!

In ons studentenhuis hing ook een telefoon met draaischijf aan de muur en als je ging bellen, hoorde je tikken op het apparaat naast de telefoon en na afloop schreef je de tikken op in een schrift. Aan het einde van de maand betaalde je per tik, ik meen 25 cent, aan je huurbaas. En iedereen kon meeluisteren in het huis want je was afhankelijk van de lengte van je draad aan de telefoon en in mijn huis kon ik dus vanwege het korte draadje geen kant op en zat ik op een krukje in de gang te bellen.

Nog geen jaar na mijn studie, deed de computer z’n intrede en dat vergemakkelijkte veel schrijfwerk. Destijds waren de computers grote bakbeesten en werden bestanden nog opgeslagen op fysieke floppydisks. Het is voor mij nog steeds abracadabra. Wat ik wel een mooie verandering vond, was de mobiele telefoon. De klassieke toestellen met draaischijf en later druktoetsen, verdwenen uit de huiskamers en de mobiele telefoons kwamen op de markt. In eerste instantie alleen om te bellen en sms-en. Huh? Ja jonge lezers, vroeger kon je met een telefoon alleen bellen en sms-en. Een klassieker was de Nokia 6310 en die was niet kapot te krijgen. Ik moet ‘m nog ergens in huis hebben liggen. Het was in 2009 dat ik een smartphone kocht en daar kon je apps op zetten. Ik vond het maar raar en niet noodzakelijk maar in de malle molen van het leven ga je mee en ging je dus apps downloaden. Zo registreerde ik mij in 2009 al bij Twitter, nu X, maar ik blijf Twitter zeggen want niet iedere verandering is een verademing.

Over verandering gesproken, wanneer kom ik op een leeftijd dat ik de verandering niet meer kan bijbenen? Ik werk nu als zelfstandig letselschadespecialist in de oude telefooncentrale aan de Koelmalaan in Alkmaar. In het grote, wat hoekige gebouw, dat inmiddels een gemeentelijk monument is, was de PTT gevestigd. In de jaren ’90 werd dat KPN en dat stond ook groot op het gebouw. Waarschijnlijk mag het KPN-logo vanwege de monumentale status niet van het gebouw af want KPN pronkt nog aan de gevel. Goed te zien als je op de ring van Alkmaar langs het gebouw rijdt. Door de digitalisering is de KPN medio 2010 uit het gebouw verdwenen en nu zit DTC (De Telefoon Centrale) in het gebouw. DTC gebruikt het gebouw voor flexibele werkplekken, vergaderruimtes en kantoorruimtes.

Met mijn kantoor zit ik op de begane grond en als de receptie dicht is, komen er nog steeds mensen mijn kantoor binnen om te vragen waar ze hun telefoon kunnen laten maken. Die mensen zijn steevast 80 jaar of ouder en denken dat de KPN nog steeds hier gevestigd is. Ik moet ze dan helaas naar de Laat verwijzen want daar kun je nog fysiek met je telefoonproblemen terecht.

Zo kwam er vlak voor kerst 2025 een man van 93 in mijn kantoor en vroeg, puffend, of ik hem kon helpen met zijn telefoon. Hij was vanaf de Vondelstaete, waar hij woont, komen lopen naar de Koelmalaan. Hij stond te wankelen op z’n benen en ik bood hem een stoel en een kop koffie aan. Ik durfde nauwelijks te vertellen dat hij naar de Laat moest dus ik vroeg hem wat er met zijn telefoon aan de hand was. Hij vertelde dat hij bijna niets meer met zijn telefoon kon. Hij kon zijn kleinkinderen en achterkleinkinderen slecht of niet bereiken. Ik zag onder andere dat zijn wifi uitstond en na een paar seconden had ik zijn probleem opgelost. Ik stelde hem voor om hem naar huis te brengen want naar huis lopen ging echt niet meer. Hij stapte vol vertrouwen in mijn auto en nog geen twee kilometer verder zette ik hem af bij zijn appartement. Een buurvrouw vroeg waar hij vandaan kwam en vol trots vertelde hij dat ik zijn telefoon had gemaakt en hij zijn achterkleinkinderen weer kon bellen en weer foto’s kon versturen. Ook vertelde hij meteen dat je niet meer naar de telefooncentrale kon voor problemen met je telefoon. Verbazing op het gezicht van de vrouw.

Toen ik weer terugreed naar mijn kantoor bedacht ik dat ik ook zo’n fase zal meemaken. Zo zit je nog als jong wuppie in Nijmegen en zo sta je voor een dichte deur van een winkel waarvan je zeker wist dat die daar gevestigd was. De tijd vliegt en ik hoop dat ik te zijner tijd ook, vol verbazing over de voortrazende wereld, naar huis gebracht wordt als mijn oude benen het niet meer trekken.

Jos Keijsper