De laatste roker – door Klaas Kirpensteijn

We hebben de laatste tijd een paar Amerikaanse films en series gezien, die spelen in de jaren ‘60 en ‘70. Als er dan íets opvalt, is het wel dat in die films íedereen rookt. Echt iedereen! Er wordt wat afgepaft op het scherm, en een beetje Amerikaan heeft dan ook nog een glas whisky in de andere hand.

Het is bijna niet meer te geloven dat het hier in die tijd net zo was, anno 2026 rookt nog maar ruim 10% van de Nederlanders. Maar als we vroeger bij mijn ouders thuis een verjaardag vierden, werden er vaasjes met sigaretten en sigaren op tafel gezet. We wisten niet alleen wat iedereen dronk, jonge jenever voor ome Piet en bessen voor tante Truus, maar ook wat iedereen rookte. Een goede sigaar, sigaretten met of zonder filter, en voor tante Ans mentholsigaretten.

Van mijn vader zijn bijna geen foto’s te vinden waarop hij geen pijp in de brand heeft, en ook mijn moeder rookte. In de vakanties werd er voorin de auto flink gepaft, met drie kinderen op de achterbank. En ook op school werd volop meegerookt, want mijn leraren stonden sjekkies draaiend of pijp lurkend voor de klas. En niemand vond dat gek.

Het is dus niet zo raar dat ik ook jong ben begonnen met roken. In mijn laatste schooljaren en in mijn studietijd stak er altijd wel een pakje Samson, met rode Rizla, uit het borstzakje van mijn Levi’s rib- of spijkerjack. Je was Kreidler of Puch, en Samson of Drum, in die tijd. Geen stress, want de antirookcampagne bestond nog niet, al werden er op school al wel foldertjes uitgedeeld van ene dr. Meinsma, met daarin akelige plaatjes van doorrookte longen. Maar je weet wat een roker doet als hij enge plaatjes ziet, toch? Dan steekt hij een sigaret op….

Toen ik in de jaren ‘80 in de gemeenteraad van Alkmaar kwam, kon je van de rook de oppositie aan de overkant van de zaal nauwelijks zien. Nou miste je daar niet al te veel aan, maar toch besloot burgemeester Cees Roozemond om de raadzaal rookvrij te verklaren tijdens het eerste deel van de vergadering, van half acht tot negen.

Aan de zijkant van de zaal zat een van de stadhuisbodes, en tegen negen uur haalde die een doosje lucifers tevoorschijn, waarmee hij naar de collegetafel liep en de geweldige tekst uitsprak: “Vuurtje, burgemeester?”. Roozemond stak een sigaret in de brand en de rest van de zaal volgde onmiddellijk. Het is maar goed dat er destijds nog geen brandmelders in het stadhuis waren, want na een paar minuten stond raadzaal blauw. Je moet er niet aan denken dat je in die tijd een politiek geïnteresseerde niet-roker was.

Met het schaamrood op de kaken moet ik bekennen dat ik er nog steeds niet helemaal af ben; ik rook graag af en toe een klein sigaartje. In de huidige tijd komt niemand er nog graag voor uit een roker te zijn. Nou ja, één van mijn vrienden zegt het nog wel met trots, maar die heet dan ook Rooker.

Ik heb echt alles geprobeerd om ervan af te komen, pleisters, kauwgom, hypnose, acupunctuur, en zelfs een Allan Carr-cursus, waarbij de cursisten met veel drama hun laatste pakjes sigaretten in de open haard gooiden. Het duurde bij mij maar een week.

Het meest overtuigend was een bevriende huisarts van destijds, die mij allerlei enge kwalen voorhield die ik door het roken kon oplopen. Maar ik kwam hem ook privé soms tegen, en dan bietste hij van mij een sigaret. Hij zat in fase één van het stoppen met roken-proces: Hij was gestopt met kopen. Dat ga ik nu ook maar proberen. Met een grote kans op succes, want er is niemand meer over om bij te bietsen.

Klaas Kirpensteijn