9 oktober – door Theo Hollenberg
Het voelt alsof de stad plotseling uitademt. Alles wat dagenlang groeide – de spanning, de muziek, de geur van feest – valt stil. Het zwarte gat na de roes van 8 oktober. En toch… in die stilte begint de herinnering te glanzen.
Ik zie mezelf weer als 9-jarige. Samen met Jeroen van Dijk en Peter Grondsma liepen we in de jeugdoptocht, Watergeuzen in een te grote broek, laarzen van mijn zus en met zelfgemaakte hellebaarden van hout. We waren er heilig van overtuigd dat Alkmaar zonder ons nooit stand had gehouden. Met Scouting St. Laurentius liepen we ieder jaar die optocht, alsof de stad speciaal voor ons uitliep.
Het ledenfeest was het hoogtepunt. Je wist dat je iedereen weer zag. En dan die zuurkoolmaaltijd – met de legendarische bonnenrij. We stonden daar bibberend in de kou, onze bon stevig in de hand, alsof dat stukje papier het belangrijkste ticket van het jaar was. De grap was dat je langer in de rij stond dan aan tafel zat, maar als je eenmaal een dampend bord voor je had, wist je dat je erbij hoorde. Jong, oud, allemaal aan dezelfde zuurkool.
Tegenwoordig doen we de History Show, een theaterspektakel voor groepen 7 en 8 van alle basisscholen in de Gemeente Alkmaar. Elk jaar volle zalen. Hetzelfde gevoel van samen beleven, maar op een groot toneel. En het mooiste: eindelijk zelf op 8 oktober tussen het feestgedruis staan, zonder coulissen of regie. Gewoon meedoen, en opgaan in de menigte die onze stad ieder jaar weer kleur geeft.
En dan komt 9 oktober. De dag van een lach en een traan. De lach om de optocht, de maaltijden, de shows, de mensen die je zag. De traan om het voorbijgaan. Maar 9 oktober is ook een begin: het moment dat de cirkel zich sluit en opnieuw opent. Want ergens staat nu een nieuwe Jeroen of Peter in de rij, giechelend met een te grote broek en een houten hellebaard. Hun verhalen wachten nog om herinnering te worden.
En terwijl Alkmaar uitademt, fluistert de stad ons iets toe: tot volgend jaar, zelfde plek, zelfde tijd – maar altijd weer net een beetje mooier.
Theo Hollenberg